Traditie

. muziekles
. filmhuis
. bijeenkomst
. dorpslokaal

Voormalige synagoge Winsum .
De in 1879 gebouwde synagoge aan de Schoolstraat 24 te Winsum ligt in het oude centrum van wierdendorp Winsum-Obergum in gemeente Het Hogeland. In 2011 is de synagoge gerestaureerd. Het gebouw heeft al decennia lang een buurthuisfunctie en wordt geëxploiteerd door Stichting Behoud Synagoge Winsum.
.
. . .d o n a t e u r   w o r d e n ? . . .
.

T r a d i t i e
t a a l ,   c u l t u u r   e n   r e l i g i e

Introductie

1. Joodse talen
Hebreeuws, Jiddisch, Ladino
.

2. Kunst en cultuur
Tradities en kunst in woord, klank, gebaar en beeld
.

3. Religie, verhalen van ver
Hemel, aarde, heilige boeken en overdracht

o
p
e
n
.
2
8
.
a
p
r
i
l
.
2
0
1
1

.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.
.

Jadje, klik voor vergroting. © public domain.

Introductie

Hoe goed zijn uw tenten, Ja'akov, uw woningen, Jisraël!
Bij de restauratie van de voormalige (vm.) synagoge van Winsum in 2010/2011 is uitgegaan van de oorspronkelijke bouwvorm van 1879. De officiële openingshandeling door de heer J.C. Regtien, bestuurslid van de Stichting Behoud Synagoge Winsum, bestond uit de onthulling van de uit steen gehouwen Hebreeuwse tekst boven de ingang van de synagoge. Deze tekst uit Bemidbar (Numeri) 24:5 kwam op meer synagogen in de regio voor, zoals bijvoorbeeld ook in de sluitsteen van Leens, die inmiddels een plaatsje heeft gekregen temidden van de Joodse grafstenen op de Joodse begraafplaats van Leens aan de Achtervalge 2a. Zo doet, sinds de komst van de eerste Joden naar Winsum in de tweede helft van de 18e eeuw, ook in deze regio de Hebreeuwse taal z'n intrede in de publieke ruimte. Niet alleen in en om grote en kleine synagogen, maar ook op de Joodse begraafplaatsen in stad en ommeland is het Hebreeuwse schrift te vinden.

1. Joodse talen

1.1 Hebreeuws
Hoewel het Hebreeuws al eeuwenlang een 'dode taal' is die voor de dagelijkse communicatie niet meer gebruikt wordt, is dit wel altijd de taal gebleven waarin de joodse godsdienst wordt onderwezen. Hebreeuws is verwant aan andere Semitische talen, zoals het Arabisch en het Aramees. Lees meer...

Het Hebreeuwse alfabet kent geen klinkers, alleen medeklinkers. Het begint met de letter 'alef' en eindigt met de letter 'tav'. Binnen het 'klassieke Hebreeuws' is de taal van de Thora de oudste variant. 'Modern Hebreeuws', of Ivriet, is de taal van het moderne Israël. Het verschil tussen 'modern' en 'klassiek' Hebreeuws is niet zo groot, maar de zinsconstructies zijn vaak anders. Je kunt dat verschil vergelijken met het verschil tussen Middeleeuws en hedendaags Nederlands. Een Middeleeuwse tekst kunnen wij niet zomaar begrijpen. Dat vereist studie. Bovendien vind je in oude talen natuurlijk veel minder woorden dan in talen die we tegenwoordig gebruiken omdat er in de loop van de tijd veel meer begrippen zijn ontstaan.

De schrijfwijze van het Hebreeuws is voor ons begrip van achter naar voren en van rechts naar links. Dit laatste komt voort uit het beeldschrift, waar de taal uit ontstaan is. Zo betekent de eerste letter 'alef' bijvoorbeeld 'ossenkop'. Dit is afgeleid van een oudere vorm van het Semitisch schrift, waarbij de tekening van een ossenkop werd gebruikt. Later werd dit de de alef. De alfa uit het Griekse alfabet is hiervan afgeleid, net als onze letter 'a'. Men tekende dus de 'a'-klank als een ossenkop omdat het woord alef met een 'a'-klank begint. Zo ook bij de andere letters van het alfabet. De tweede letter, de 'beet', betekent 'huis' en zo tekende men voor de 'b'-klank een huis.


Een bijzondere vermelding betreft nog de tweede letter van het Hebreeuwse alfabet, de letter 'beet'. Deze letter betekent 'huis' en heeft de eer om de eerste letter van de Thora te mogen zijn. Bij het lezen uit de Thora wordt er uit eerbied voor de Thora een zogenaamde jad gebruikt. Dit is een aanwijsstokje (vaak van zilver) in de vorm van een hand. (Het Hebreeuwse woordje 'jad' betekent namelijk 'hand' en komt in die vorm ook in verschillende Nederlandse uitdrukkingen voor.)

1.2 Jiddisch
Veel Joodse Nederlanders spraken onderling 'Jiddisch'. Dit is een Germaanse taal die nog steeds over de hele wereld gesproken wordt, met name in Joodse gemeenschappen in Amerika, Antwerpen, Engeland en Israël. De taal is rond de 10e eeuw in het Rijnland ontstaan en de naam is afkomstig van het Duitse woord 'Jüd'. Zelf noemden de Joden hun taal 'Loshn Asjkenaz', de taal van de Asjkenazim (Joden uit Oost- en Midden-Europa). Veel Hebreeuwse en Aramese woorden die in het Jiddisch voorkomen, zijn ontleend aan de heilige boeken van de Joden, de Thora en de Talmoed. Het Jiddisch wordt net als het Hebreeuws van rechts naar links geschreven en ook met Hebreeuwse letters. Taalkundig is het Jiddisch echter niet aan het Hebreeuws verwant.

In de stad Groningen wordt de taal tot het midden van de 19e eeuw nog veel gesproken, maar gaat dan langzaam maar zeker verdwijnen. Op het platteland blijft het Jiddisch, met name onder de ouderen, nog lang in gebruik.

Portugese synagoge bij kaarslicht. © public domain

 

1.3 Ladino
Een andere, ook in Nederland goed herkenbare, Joodse groepering met een eigen taal en cultuur betreft de Joden die in de 16e eeuw vanuit Zuid-Europa vluchtten en vaak via Antwerpen, Londen of Emden naar Amsterdam trokken. Zij heten Sefarden of Sefardim en zijn veelal gericht op handel over zee. In tegenstelling tot de Asjkenazim vestigen zij zich niet op het platteland, maar vrijwel alleen in Amsterdam.
.
De bloeitijd van de Sefardische cultuur ligt in de vroege Middeleeuwen op het Iberisch Schiereiland (Spanje en Portugal). In de 8e eeuw, als de Moren (moslims) Spanje overheersen, zijn joden en katholieken vrij om hun eigen geloof te belijden. Lees meer...

Op literair gebied is dit een bloeiperiode van Ladino, de voertaal van deze 'Sefardische' Joden. Onder de latere katholieke heerschappij (vanaf eind 15e eeuw) worden deze Sefardim in Spanje gedwongen om te vluchten als zij zich niet tot het katholicisme bekeren. Dit is het begin van de wereldwijde omzwervingen van de Zuid-Europese Joden. Aanvankelijk hebben zij op hun vlucht veel van hun eigen cultuur verloren, maar een aantal jaren later strijken ook de Asjkenazim vanuit Midden- en Oost-Europa in Amsterdam neer. Zij brengen wel hun eigen cultuur mee naar ons land en onder hun invloed pakken ook de Sefardim in Amsterdam stapsgewijs hun oude tradities weer op. Op het Noord-Nederlands Jodendom heeft deze groepering in directe zin niet zoveel invloed gehad, maar achternamen als die van de families Cardozo, Da Cunha, d'Ancona, Da Silva, Granaada, Italie, Italiander, Pinto, Spanjaard, Valensa en van Zuiden komen ook hier wel voor.

.

De granaatappel die met Joods Nieuwjaar verwijst naar de 613 geboden van de joodse wet.

2. Kunst en cultuur

2.1 Tradities en identiteit
In het Nederlands Jodendom van de 19e eeuw raken opeenvolgende generaties nieuwkomers steeds beter geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. In die 19e eeuw is het Jodendom overwegend op orthodoxe leest geschoeid en kent nog relatief weinig diversiteit. In de daarop volgende eeuw komt er langzamerhand wel wat meer verschil in de mate waarin religie een rol speelt in het leven van individuele Joden. Daar waar het religieuze besef verzwakt, wordt (familie)traditie veelal de nieuwe samenbindende kracht. Gebruiken en gewoontes worden nog steeds voortvarend overgedragen van de ene generatie op de volgende. De Joodse geschiedschrijving en de Joodse kalender bieden houvast. Bovenal zijn er de Joodse feest- en treurdagen, die zozeer doortrokken zijn van allerlei familiegebruiken, eetgewoontes en rituelen dat het religieuze besef, dat er aan ten grondslag ligt, soms enkel nog een stille gast aan tafel lijkt. Op zaterdag viert men sjabbat ter herinnering aan de zevende scheppingsdag, de rustdag van de Schepper. Joods Nieuwjaar viert men in september als de schepping verjaart. Meer dan ooit is het gemeenschappelijke Joodse verleden de dragende factor geworden van een nieuwe identiteit, waar sinds de Tweede Wereldoorlog ook het nieuwe collectieve besef rond het trauma van de Jodenvernietiging aan is toegevoegd. Op het naoorlogse Groninger platteland ontbreekt herkenbaar 'Joods zijn', alleen in en rond de stad Groningen en rond Leek/Zuidlaren concentreren zich nog twee kleine groeperingen van respectievelijk orthodoxe en liberale Joden. Verwerking van oorlogstrauma's en de vraag rondom behoud van eigenheid of opgaan in andere culturen vormen daarin de twee belangrijke thema's. Aan het begin van de 21e eeuw komen daar ook het hernieuwde antisemitisme en de zorgen om het thuisland Israël bij.

.
v

i
t
r
i
n
e
.
s
j
o
e
l
.
w
i
n
s
u
m

.
.

2.2 Kunst in woord, klank, gebaar en beeld
Net als in de steden ontstaat er vóór de oorlog ook voor Joden op het platteland meer ruimte om deel te nemen aan het algemene culturele en maatschappelijke leven, zoals lidmaatschap van sport-, toneel- en muziekverenigingen. In Winsum staat Comprecht Jacob Goldsmith (1834-1868) bijvoorbeeld te boek als dansleraar. Ook van zijn jongere broer, bezemmaker/winkelier Izaäk Jacob Goldsmith (1838-1918) wordt verteld dat hij danslessen gaf bij mensen thuis. In Warffum weet een generatie later slager Benjamin Broekema, ook bekend als Poere Broekema (1904-1942) zich te profileren als columnist en schrijver van toneelstukken, streekromans en korte verhalen. Journaliste/publiciste Pauline Broekema schreef over hem haar boek: 'Benjamin. Een verzwegen dood'.

Na de oorlog ziet de gemarginaliseerde Joodse gemeenschap verblijf in Nederland aanvankelijk vooral als voorbereidingsfase op definitief vertrek naar Israël. In de praktijk blijken zich meer mogelijkheden aan te dienen. Zo krijgt de religieuze orthodoxie voor niet-vertrekkers gezelschap van een liberaal-joodse component en voor seculiere Joden komen er meer mogelijkheden voor actieve en/of passieve deelname aan een variabel 'Joods cultureel palet'. Dit palet kan zich richten op Joodse feest- en treurdagen of een veelheid aan culturele activiteiten van samen koken en eten tot kaartspel, leesclubs, voorstellingen (zoals het uit de 17e eeuw afkomstige verhaal over de mooie koningin Ester) en festivals rond wereldmuziek en -dans, workshops meerstemmige-Jiddische-zang en vertelkunst van Joodse sprookjes en verhalen, zoals de wereldberoemde chassidische legenden. De in Leens geboren, kort voor het einde van de oorlog gefusilleerde, niet-Joodse Hendrik Nicolaas Werkman gaat daarbij voorop als pleitbezorger en illustrator/grafisch vormgever.

In 1977 wordt aan de Verlengde Hereweg in Groningen het Joodse Monument onthult met de beeldengroep van Edu Waskowsky, ter nagedachtenis aan de 3000 in de Tweede Wereldoorlog omgekomen Joodse Groningers. Daarnaast komt er vanaf de tachtiger jaren ook een continue stroom van historische studies, herinneringsboekjes, gedenktekens, wandelroutes en egodocumenten tot stand. In musea en losse exposities brengt men de herinnering aan het vooroorlogse Joodse leven in beeld. Een voorbeeld hiervan is de expositie Synagoge als centrum van Joods leven in Noordwest Groningen die in het voorjaar van 2010 in de Obergumerkerk te Winsum wordt georganiseerd.
.

^ Als de zon langzaam ondergaat ^ zal de projectie van de menora op de steen achter de hand waaruit de menora verwijdert is, omhoog gaan..
.
.
.

.
.
.
.

1908, Jozef Israels. © public domain

 

Literatuur en theater
Net als op wetenschappelijk gebied brengt het Joodse volk ook op artistiek gebied veel begaafde mensen en verzamelingen voort. Op wetenschappelijk gebied is de bibliotheek Ets Haim van de Portugese synagoge in Amsterdam wereldwijd bekend. Op het gebied van theater heeft toneelschrijver
 Herman Heijermans grote bekendheid. Andere namen met landelijke bekendheid zijn die van cabaretier Louis Davids, schrijfster Carry van Bruggen en haar broer, dichter en rechtsgeleerde Jacob Israël de Haan. Het Groningse literaire aandeel komt van de uit Winschoten afkomstige historicus Jaap Meijer, die in het Nederlands en Gronings publiceerde onder de naam Saul van Messel. Hij debuteert in 1967 als Joodse dichter en zal zowel in het Nederlands en Gronings als in het Hebreeuws publiceren. Ook op muzikaal gebied kent Groningen klinkende namen. Bijvoorbeeld die van het vioolduo Sem Nijveen en Benny Behr en die van operazangeres Julia Culp, de Nederlandse nachtegaal.

Schilderkunst en bouwkunst
Het tweede van de Tien Geboden uit de Thora betreft het verbod op het afbeelden van al wat in de hemel en op of onder de aarde is. Letterlijk betekent dit dat Joden geen toegang zouden hebben tot schilder- en beeldhouwkunst, maar bij een ruimere interpretatie gaat het primair om een verbod op het maken van afgodsbeelden. Toch blijft het vooroordeel dat Joden zich meer verbonden voelen met 'het woord' dan met 'het beeld' lang van invloed op hun deelname aan de 'vrije kunsten'. Maar vanaf het begin van de 19e eeuw schept de emancipatie van Joden in de Europese landen meer mogelijkheden en gaan Joden ook op dit gebied hun partijtje meeblazen in de internationale wereld van kunst en cultuur. Daarbij gaat de in Groningen gebore
Jozef Israëls (1824-1911) voorop, op de voet gevolgd door zijn zoon Isaac Israëls (1865-1934). De naam van één Joodse bouwkundige die voor het noorden belangrijk was, mag aan deze noordelijke selectie niet ontbreken. Dat betreft de naam van de Amsterdams-Joodse architect Isaac Gosschalk (1838-1907). Hij ontwierp het nieuwe, in de periode 1891-1893 gebouwde, stationsgebouw van de stad Groningen. Het eerste spoortraject dateert al uit 1866. Dat verbond Groningen met Leeuwarden. Uit die tijd dateert ook het eerste houten Groninger treinstation. Vrijwel alle noorderlingen, stadjers en niet-stadjers, kennen het fraaie Groninger hoofdstation, dat honderd jaar na de bouw met een grootscheepse restauratie weer zijn vroegere grandeur herkreeg.

.
.

Klik voor vergroting. © public domain.

.

3. Religie, verhalen van ver

3.1 Hemel, aarde en heilige boeken
Diaspora
Het woord 'Jood' is afgeleid van Jehoedah (Juda), de vierde zoon van aartsvader Ja'akov (Jakob) en zijn vrouw Leah (Lea). Het land dat naar de stam van Juda is vernoemd is één van de twaalf stammen van het oude Jisraël (Israël). Dit land ligt in het zuidelijke koninkrijk en heeft Jeroesjalajim (Jeruzalem) als hoofdstad. In de Grieks-Romeinse periode heet dit landsdeel Judea. De Joodse diaspora begint met de ondergang van het koninkrijk Juda in het jaar 586 vC. Na de vernietiging van de eerste Tempel in Jeruzalem door de Babyloniërs gaat een klein deel van de Judeërs naar Egypte. De meerderheid gaat in ballingschap naar Babylon, waar ze in afgesloten gemeenschappen hun eigen tradities en religie kunnen voortzetten. Vaak hebben deze in ballingschap levende Joden aan bezit nauwelijks meer bij zich dan hun heilige boeken. Een dergelijke minderheidsstatus is karakteristiek voor de Joodse Diaspora en toont de weg waarlangs Joden zich, meestal noodgedwongen, over de hele wereld verspreiden, maar daarbij toch hun eigen cultuur en religie weten te bewaren. Langs die onfortuinlijke weg van de minderheidsgroepering die telkens opnieuw verjaagd wordt en zich daarom telkens opnieuw elders als nieuwkomers vestigen, arriveren ook de eerste (Asjkenazische) Winsumer Joden aan het eind van de 18e eeuw in Winsum-Obergum. Zij brengen hun eigen tradities en religie met zich mee naar een streek in het Noordwesten van de provincie Groningen, waar dan al zo'n duizend jaar het christendom woont.

'Gelukkig Nieuwjaar', sjofar blazen. (Alphonse Lévy, vóór 1919) © public domain

 

Loeach, de Joodse kalender
Lees meer...

De algemeen gangbare kalender is gebaseerd op de omwenteling van de aarde om de zon. De Joodse kalenderberekening volgt primair de omwenteling van de maan om de aarde. In het Jodendom symboliseert het groter en kleiner worden van de maan 'vernieuwing'. Uit die primaire oriëntatie op de omwenteling van de maan om de aarde spreekt het vertrouwen dat het Joodse volk - net als de maan - nooit verloren zal gaan en ook in duistere perioden mag vertrouwen op terugkeer en vernieuwing.
.
• Een nieuwe dag in het Jodendom begint niet, zoals in de westerse wereld, om twaalf uur 's nachts, maar op het (van jaargetijde en locatie afhankelijke) moment van de zonsondergang.
• De nieuwe week begint na de heilige rustdag, de sabbat.
• De nieuwe maand valt altijd samen met nieuwe maan. Halverwege de maand is de maan vol. Zo'n maand duurt 29 of 30 dagen.
• Het begin van een nieuw Joods jaar krijgt een sterk religieuze lading mee. Daarbij staat de zuiverheid van het geweten, zowel tegenover de naasten als tegenover de Eeuwige centraal.
.
Een zonnejaar duurt 365 dagen en 6 uur. Een Joods jaar duurt elf dagen korter. In de loop van 19 zonnejaren wordt in de Joodse kalender zeven keer een extra maand ingevoegd, de maand Adar II. Dat zorgt er voor dat het Joodse Pesach-feest altijd in het voorjaar valt. Het westerse Paasfeest valt altijd op de eerste zondag na Pesach. Het feit dat volgens de algemeen gangbare kalender Pasen elk jaar op een andere datum valt heeft dus rechtstreeks te maken met de Joodse kalender.
Met Pesach (ook wel 'Matzefeest' genoemd) viert het Joodse volk de uittocht uit de slavernij van Egypte die resulteert in de ontvangst van de Tien Geboden op de berg Sinaï, de 'berg van het verbond'.
.
Naast deze afwijking door de primaire oriëntatie op de baan van de maan om de aarde in plaats van de baan van de aarde om de zon, wijkt de Joodse jaartelling ook af van de algemeen gangbare telling omdat het Jodendom eerder begint te tellen. Namelijk niet, zoals in de westerse wereld, bij de geboorte van Christus, maar bij het moment waarvan men aanneemt dat de 'Schepping van Hemel en Aarde' plaatsvindt (Anno Mundi). Op grond van de Hebreeuwse Bijbel, gaat men er vanuit dat dit 3761 jaar vC. is (3761 jaar vóór het begin van de algemeen gangbare jaartelling). Het Joodse Nieuwjaar, Rosj Hasjana, dat in september of oktober valt, beleven religieuze joden als een gewichtige 'periode van gebed en inkeer'. Er wordt dan in de synagoge op de sjofar (ramshoorn) geblazen. Dit herinnert de gelovigen aan het verhaal over Awraham (Abraham) en het offer van Jitschak (Isaak). In sommige streken gaan Joden met Rosj Hasjana naar een rivier of anderszins stromend water, bijvoorkeur met vissen er in, om er onder het opzeggen van een gebed broodkruimels in te gooien. Dit wegwerpen van de kruimels brood symboliseert het 'zich ontdoen van slechte gedachten'.

3.2 Overdracht
Tekst en symbool
In joodse religie heeft het licht een belangrijke symbolische functie. Zo wordt de Thora wel vergeleken met het licht van de eerste scheppingsdag. De mitswot, de geboden, zoals sabbatsrust op zaterdag, worden daarbij beschouwd als de lampen waardoor het licht van de Thora kan schijnen. In de synagoge herinnert de zevenarmige menora aan de zeven scheppingsdagen en symboliseert ook het 'niet-verterende' vuur van het brandende braambos dat Moshé (Mozes) ziet op de berg Sinaï.
(Tijdens Chanoeka wordt er een negenarmige kandelaar gebruikt. Het Chanoeka-feest valt in december en wordt ook wel 'het feest van de lichtjes' genoemd. Het duurt acht dagen en herinnert aan het wonder rond de herinwijding van de Tempel van Jeruzalem in het jaar 164 vC. Sinds de Haskala heeft dit feest echter een meer profaan karakter gekregen.)

Gebedenboeken uit het huis van de Winsumse rebbe Abraham de Vries.

Heilige boeken
De heilige verhalen van de religieuze joden staan in de Hebreeuwse Bijbel, de Tenach. Eigenlijk is Tenach geen woord. Het is de samenvoeging van de eerste letters van de drie delen waaruit het Boek der Boeken is samengesteld: Thora, Nebi'iem en Chetoebiem.
Lees meer...

- Thora betekent richtsnoer, wegwijzer. Dit is de kern van Tenach. Daaromheen groeperen zich Nebi'iem en Chetoebiem. De Thora, de eerste vijf boeken van de Tenach, bevat regels van het verbond tussen de Eeuwige en het volk Israël. Elke gelovige jood moet zich aan deze voorschriften houden. Ze zijn de grondregels van zijn bestaan.
- De Nebi'iem zijn geschriften van en over profeten. Zij roepen het volk op naar de Thora te leven en roepen het volk op ter verantwoording, wanneer de Thora vergeten wordt. Zij komen op voor armen en onderdrukten en beloven hoop voor de toekomst.
- De Chetoebiem, de Geschriften, vormen de derde kring. Tot deze bundel behoren bv. Tehiliem (Psalmen), Misjlee (Spreuken), Kohelet (Prediker) en Sjier Hasjiriem (Hooglied). In deze boeken lezen we de reactie, het antwoord van Israël, op de Thora.
De Tenach is dus een bundel boeken van vele vaak eeuwenlang mondeling doorgegeven verhalen. Uiteindelijk zijn de meeste verhalen pas tijdens de Babylonische Ballingschap (586-538) op schrift gesteld. Naast de Tenach kent de joodse religie ook de Talmoed, die de mondelinge leer en discussies daarover bevat. Daarin komt dat aspect van het 'onderwijzen' meer naar voren, want daarbij gaat het vooral om het begrip van de teksten en interpretatie naar de (lokale) actualiteit. Teksten worden telkens opnieuw gelezen en van nieuwe commentaren voorzien en ook dat levert telkens opnieuw weer stof op voor discussie.

Tijdens de sjabbatdiensten in de synagoge wordt er iedere zaterdag vanaf de Bima (centraal temidden van de gelovigen) voorgelezen uit de Torarol, waarbij een voorzanger de voorganger terzijde staat. Door de week wordt de Torarol bewaard in een mooie beschermmantel, achter een versierd kleed in de gesloten Heilige Arke. Dat is een kast die tegen de muur van de syagoge staat, waarmee de richting naar Jeruzalem wordt aangegeven. Zo is de blik van alle gelovigen tijdens de diensten in de synagoge overal ter wereld gericht op Jeruzalem.


Op bezoek bij haar zuster Helena Benninga-Frank schilderde Sara Tromp-Frank (1912-2015) de Soekotmarkt in Jeruzalem.

klik hier voor documentaire Beno Hofman

Vreugde der Wet
Eén van de joods religieuze feestdagen heeft in het bijzonder te maken met het lezen van de Thora. Dit is Simchat Tora. Daaraan voorafgaand wordt in september eerst Rosh Hasjana (Joods Nieuwjaar) gevierd. Dan volgt de heiligste aller dagen, Jom Kipoer (Grote Verzoendag) en daarna komt het zeven dagen durende feest, dat Soekot (Loofhuttenfeest) wordt genoemd. Hierbij leeft men in zelfgebouwde hutten in de tuin of op het dak van het huis waar men woont. Dit feest, ter herinnering aan de uittocht van het Joodse volk uit de slavernij van Egypte, wordt gevolgd door Simchat Tora. Op die dag worden de Thorarollen zingend rondgedragen door de synagoge en soms ook daar buiten. Daarna wordt het laatste deel van de Thora gelezen over de dood van Moshé (Mozes) en aansluitend wordt weer begonnen met het eerste deel, het boek over de Schepping van Hemel en Aarde. Dit leesschema wordt wereldwijd gevolgd, waarbij ook wereldwijd in de synagogen de ogen van gelovigen gericht zijn op Jeroesjalajim (Jeruzalem).
Lees meer...

Naast Tenach en Talmoed zijn er ook in het jodendom lied- en gebedenboeken in gebruik (bijvoorbeeld rond de joodse feest- en gedenkdagen of rond huwelijk, geboorte en sterfte), die de gelovigen in huis hebben. Net als het kokertje met heilige tekst (mezoeza) op de deurposten. In die kokertjes zit een papiertje met tekst uit Dewariem (Deuteronomium) 6:4, die verwijst naar de enige en unieke God: "Hoor, Jisraël, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is één.Andere religieuze voorwerpen in huis zijn de gebedskleden en keppeltjes voor de mannen, attributen voor de sabbatsviering, een negenarmige chanoekia-kandelaar, het Pesach-servies en de noodzakelijke keukenvoorzieningen om een 'kosjere' huishouding te kunnen voeren. Dit is gebaseerd op de spijswetten uit de Thora. Daarbij wordt onder andere het bereiden (en eten) van melk- en vleesprodukten op basis van Tenach strikt van elkaar gescheiden.

.
Joods godsdienstonderwijs en priesterlijke waardigheid in Winsum
Op het platteland worden verschillende functies van de Joodse gemeenschap vaker door één en dezelfde persoon vervuld. Ook moest men soms tevreden zijn met minder goed geschoolde voorgangers. Om aan de synagogale taken te kunnen voldoen, moest er naast de bestuurders van de kille (de Joods gemeente) ook een rabbijn of rebbe (voorganger/onderwijzer) zijn, een voorzanger (chazan), sjofar-blazer en 'kousjer snijder' (ritueel slachter).
Lees meer...
Het Joodse godsdienstonderwijs betrof les in Hebreeuws, geschiedenis van het Joodse volk en kennismaking met enkele religieuze teksten, onder andere voor het opzeggen van psalmen en gebeden. De lessen werden buiten de gewone schooltijd gegeven, want in Winsum gingen de Joodse kinderen naar de Openbare Lagere School aan het dorpsplein (huidige bibliotheek). Namen die in dit verband genoemd moeten worden, zijn die van Emanuel Levie Garson (1769-1849), Eliazer Josephs de Haan (1791-1849) en Asser Izaäks Italie (in 1830 in Meppel geboren). Hij is de zoon van voorzanger, godsdienstonderwijzer Izak Jacobs Italie uit Amsterdam. In 1857 vertrekt hij naar Uithuizen, maar blijft dan nog in de regio actief. Over wie nadien de onderwijstaak in Winsum op zich nam is weinig bekend, maar mogelijke hadden ook de hieronder genoemde rebbes daar een taak in.
.
Een naoorlogs lokaal oral history-onderzoek levert drie namen op van Winsumser rabbijnen of rebbes: Izaäk Goldsmith (1838-1918), Haiman van Berg (1842-1924) en Abraham de Vries (1848-1933). Alle drie zullen zij hun bar mitswa gevierd hebben in de nieuwe huissynagoge aan de Westerstraat. Goldsmith trouwt in 1860 in Veendam, Van Berg in 1870 in Leek en in 1876 volgt een tweede huwelijk in Dwingelo. Abraham de Vries trouwde in 1878 te Winsum, nog juist voor de ingebruikneming van de nieuwe synagoge aan de Schoolstraat. Hij is de enige van de drie genoemde rebbes, van wie we met zekerheid kunnen zeggen dat hij daadwerkelijk een van de religieuze leiders van de Joodse Gemeente Winsum is geweest. Zijn grafsteen op de Joodse begraafplaats toont namelijk twee zegenende handen, als teken van zijn priesterlijke waardigheid. In de Tweede Wereldoorlog geeft Comprecht de Vries, de zoon van rebbe Abraham de Vries, een cassette met vijf gebedenboeken uit het huis van zijn vader aan zijn buurman, de dominee van de Obergumerkerk. Bij buurman zouden de boeken veilig zijn. Ook de mezoeza (kokertje met heilige tekst) die aan de deurpost van de buitendeur van het ouderlijk huis was bevestigd, wordt in bewaring gegeven. Natuurlijk hoopt Comprecht weer terug te keren naar Winsum als de oorlog voorbij is, maar zo is het allemaal niet gegaan. Door het vernietigingsprogramma van Nazi-Duitsland overleefde geen van de Winsumer Joden de Tweede Wereldoorlog. Toch komt aan het eind van de 20e eeuw de cassette met de Hebreeuwse gebedenboeken en de mezoeza weer uit de erfenis van dominee tevoorschijn en via diens dochter weer terug naar Winsum. De vijf boeken en de de wat roestige mezoeza liggen sindsdien ter bezichtiging in de vitrine in de voormalige synagoge van Winsum.