item 1993

Canon Winsums Jodendom
.
. x.   . x.   . x.   . x.   . x.
.

.
. x.   . x.   . x.

.
.

I N T R O D U C T I E
.

thema: Herdenken
.

meer over item 1993: klik hier
.
interview met herdenker Barry Cohen
klik hier
.
overzicht Canon Winsums Jodendom:
 klik hier

.

.

.X.

.1993.

Op 4 mei 1993 onthult rabbijn Jacobs het oorlogsmonument aan de voormalige synagoge van Winsum, ter herinnering aan de laatste dertien Joden uit Winsum die in Auschwitz zijn vermoord. Het monument bestaat uit twee glazen panelen in de vorm van de twee boogvormige raamnissen aan de oostwand van de vm. synagoge. Op de glasplaten staan de namen van de Joodse oorlogsslachtoffers van Winsum met hun leeftijden en een tekst uit Jehosjoea (Jozua) 4:6-7 met de slotwoorden: '...tot eeuwig gedenken'. Op de vraag waarom wij elk jaar opnieuw herdenken wat er in de oorlog is gebeurd, past een tweeledig antwoord: We herdenken en herinneren de slachtoffers, ook om herhalen te voorkomen.

.

.X.

.

4 mei 1993. Nabestaanden bij onthulling monument aan de voormalige synagoge van Winsum.

Inleiding

In de Canon Winsums Jodendom valt met de moord op de laatste Joodse inwoner van Winsum, Issy de Vries, op 28 februari 1943 in Auschwitz alles stil. Er is nog wel heel veel te zeggen, zowel lokaal, als landelijk, als wereldwijd. Maar daar gaat tijd overheen, veel tijd. Het verloop van de Tweede Wereldoorlog is algemeen bekend. Als kort na de oorlog in de eerste levensbehoeften is voorzien, begint met vallen en opstaan de wederopbouw. Over de Joodse oorlogsslachtoffers van Winsum wordt amper gesproken, zo lezen we in interviewmateriaal dat begin jaren negentig is gemaakt door werkgroep 'Een Joodse Erfenis' te Winsum (voorloper van de gelijknamige stichting).

In 1993 wordt in samenspraak tussen gemeentebestuur en werkgroep een Joods oorlogsmonument aan de voormalige synagoge gerealiseerd. Die oude synagoge heet dan nog het N.A. de Vriesgebouw en gaat in die hoedanigheid zijn laatste jaren in. Op 20 september 2005 besluit de gemeenteraad op voorstel van Christen Unie-fractievoorman Johan Mekkes om op het naast de voormalige synagoge gelegen bouwterrein aan de Schoolstraat (locatie voormalige gereformeerde school) een woningbouwproject te plannen en de bouwlocatie kadastraal 'Sjoelplein' te noemen. Dit ter herinnering aan de vooroorlogse Joodse gemeenschap van Winsum.

Postbode Simon Benninga uit Eenrum vóór de Tweede Wereldoorlog.

Eerst kijken we terug op hoe Winsum uit de oorlog komt, hoe er gesproken wordt over 'goed en fout' en ook hoe de naoorlogse generatie de bakens wil verzetten. De verhoudingen tussen de generaties staan danig op z'n kop. Natuurlijk gaan we dat met wat afstand bekijken, tegen de achtergrond van wat tegenwoordig wordt omschreven als nieuwe of eigentijdse geschiedenis. Verder staan we ook kort stil bij hoe het de geminimaliseerde Joodse bevolking na de oorlog in ons land vergaat. In de nabijheid van Winsum is er slechts één Joodse familie bekend die kort na de oorlog is teruggekeerd. Dat betreft de familie Benninga uit Eenrum. Simon Benninga keert begin mei 1945 terug van zijn onderduikadres in Leens. Als enig overgebleven bestuurslid van de Joodse Gemeente van Winsum draagt hij in de zomer van 1947 wat daarvan nog resteert over aan de Joodse Gemeente van Groningen.

Op de vervolgpagina gaat onze aandacht naar monument aan de oude Winsumse synagoge. Hoe kwam het tot stand? Hoe het er uit ziet en wat het ons te vertellen heeft? Daarna bekijken we hoe de Nationale Dodenherdenking op 4 mei en de viering van de bevrijding op 5 mei er in Winsum uitzien. Daarbij komt ook ter sprake dat de herdenking van Holocaust-slachtoffers afwijkt van de herdenking van de overige oorlogsslachtoffers, vooral omdat er van de meeste Holocaust-slachtoffers helemaal geen nabestaanden zijn die hen kunnen herdenken.

Naar mate de afstand in tijd tot de oorlog toeneemt, verandert er veel in woordgebruik. Men gaat minder 'verhullend taalgebruik' hanteren. We zijn dan dus kennelijk beter in staat om de schade onder ogen te zien. Inmiddels is op het gebied van de mensenrechten in het internationale discours de 'Universele Verklaring van de Rechten van de Mens' tot stand gekomen. Wereldwijd wordt de Holocaust nu op tal van plaatsen herdacht met monumenten, musea en terugkerende rituelen. We brengen we een aantal van die plaatsen in kaart. Natuurlijk neemt daarin de herdenking in Israël, waar na de oorlog zoveel Holocaust-overlevenden zijn gaan wonen, een aparte plaats in. In de aanzet naar het nieuwe millennium komen ook de plannen tot stand voor het Digitale Joodse Monument dat vanaf 2005 voor het publiek toegankelijk wordt.

.
.

2001, prof. Isaac Lipschits over naoorlogs onbegrip en antisemitisme.

Tijdens en ná de oorlog

Tussen goed en fout
Begin september 1944 komen er al geruchten op gang over de op handen zijnde bevrijding van Nederland. Als Nederlanders op dinsdag 5 september (later Dolle Dinsdag genoemd) massaal de vlag uithangen terwijl, zoals later blijkt, de oorlog nog lang niet voorbij is, is de verwarring groot. Veel Duitse soldaten slaan op de vlucht en ook veel NSB’ers vluchten met gezin en bezit richting Duitsland. Uiteindelijk is heel Nederland pas acht maanden later, op 5 mei 1945, bevrijd. Dan wil ‘goed-Nederland’ afrekenen met ‘fout-Nederland’. Er worden 120.000 NSB-ers gevangen gezet en vrouwen die met NSB-ers en/of Duitse soldaten omgaan worden voor straf kaalgeschoren.
Al met al is en blijft de bittere waarheid over de brute moord op zes miljoen onschuldige Europese Joden niet te bevatten. Over ‘goed of fout in de oorlog’ is men later genuanceerder gaan denken. Achteraf gezien ging het tijdens de oorlog ook helemaal niet allemaal om zwart of wit, maar vooral ook om de vele grijstinten daartussen. Als je niet tot de ‘schuldigen’ behoorde, betekende dat nog niet dat je automatisch ‘goed’ was. Uiteindelijk komt de focus vooral te liggen op ‘nooit meer oorlog’ en wat we daar met z’n allen aan kunnen bijdragen. Maar het denken daarover kan pas echt tot ontwikkeling komen als er recht is gesproken. Als de daders bestraft zijn, de slachtoffers gehoord en gecompenseerd zijn en de geschiedenis is vastgelegd. Daarmee breekt met name voor de Joodse overlevenden van de Holocaust (in Joodse kring veelal Sjoa genoemd) een nieuwe, uiterst pijnlijk fase aan, waarin veel herbeleefd wordt en er voor verwerken, troost of vergeten helemaal geen plaats kan zijn. ‘De kleine Sjoa’ noemt Isaac Lipschits (vanaf 1971 professor ‘Eigentijdse Geschiedenis’ aan de Universiteit van Groningen) deze periode, waarin Joden nog zoveel nieuw onrecht wordt aangedaan. Soms door onverschilligheid of onbegrip, maar ook door gierigheid, halsstarrigheid of schaamte.

Maatschappelijk herstel van.naoorlogs joods leven is nog altijd actueel. Het Joods Maatschappelijk Werk biedt online hulp (screenshot 2019).

 

Het Nederlands Israëlitisch Weekblad viert in 2016 zijn 150-jarig bestaan.

.
.
.
.
.
.
.

Het huis van verzetsstrijder Jan Moes uit de Reitdiepstraat.

Kort na de bevrijding richt de overheid zich vooral op herstel van de rechtsorde en het voorzien in eerste levensbehoeften als eten, drinken, medische zorg, hygiëne, brandstof en transport. In Nederland komt het normale leven weer langzaam op gang. Van de 400.000 Nederlanders die in het buitenland verblijven zijn de meesten als dwangarbeider tewerkgesteld in Duitsland. Zij blijken doorgaans fysiek en geestelijk redelijk in staat om zelf hun terugkeer naar Nederland te organiseren. Dat geldt niet voor de vijfduizend bevrijde Joodse overlevenden en de tienduizend geïnterneerde politieke gevangen, zij moeten wachten op hulp van buitenaf. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de zoon van Simon Benninga uit Eenrum, Noach Benninga, die met zijn vrouw, kind en schoonmoeder op de vlucht voor het naziregime in Nederlands Indië was beland.

In onze regio keert aanvankelijk alleen (groot)vader Simon Benninga vanuit zijn schuilplaats in Leens terug naar zijn huis in Eenrum. In Winsum keert geen enkele Joodse inwoner terug. Berichtgeving daarover blijft lange tijd achterwege. Waren we vergeten dat Winsum kort vóór de oorlog nog veertien Joodse inwoners telde? Mensen die behoorden tot families die hier vijf of zes generaties lang Winsumer waren geweest met de Winsumers. Ook hier bestraft men kort na de oorlog de ‘foute’ inwoners, waarvan er een veertigtal geregistreerd zijn. En ook hier komt er het een en ander naar buiten over verzet en illegaliteit, waaronder betrokkenheid bij de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO). Zo is bekend dat er uit het distributiekantoor in Winsum gedurende langere tijd een hoeveelheid distributiebonnen verdween die voldoende was voor ruim zestig mensen. Later aangevuld met nog eens veertig, bestemd voor onderduikers in Oldehove. Zo zijn er tijdens de oorlog via Winsum duizenden bonkaarten beschikbaar gekomen voor de illegaliteit. Dat dit onopvallend kon, hield mede verband met het feit dat Winsum deze kaarten kreeg toegewezen voor schippers die elders verbleven.

1948: de Nieuwstraat, waar Jozef Garson tot zijn deportatie eind 1942 heeft gewoond.

In 1947 wordt in het huis van Noach Benninga in Eenrum baby Simon Zadok Benninga geboren.

Van wederopbouw tot flowerpower
Op 16 oktober 1945 wordt in Winsum een noodgemeenteraad ingesteld met elf leden. De eerste nieuwe gemeenteraad komt pas 21 oktober 1946 ter vergadering bijeen. Nieuw is de eerste vrouw in de gemeenteraad, juriste mevrouw mr. A.W. de Ranitz-Cohen. Tijdens de naoorlogse wederopbouw realiseert het gemeentelijk bestuur onder andere het uitbreidingsplan Obergum-Noord. Verder besluit men begin jaren vijftig onder andere tot afbraak van het stationskoffiehuis en sanering van dorpskern Obergum. In 1957 begint men ook weer achterom te kijken. Zo wordt het feit dat Winsum 900 jaar eerder als hoofdplaats van Hunsingo munt-, markt- en tolrechten krijgt groots herdacht. Dan richt de aandacht zich weer op de toekomst. Men besluit tot inrichting van een bejaardencentrum, breidt uit, verbetert, vernieuwt …Winsum groeit en groeit… In de jaren zeventig volgen tennisbaan, centrale antenne inrichting, een tunnel onder het spoor…Winsum gaat mee in de vaart der volkeren. Toch kijkt de voorzitter van de gemeenteraad op 5 mei 1976 opnieuw achterom en herinnert de raad aan de jaren 1940-1945: “Het is”, zo zegt hij, “een goede zaak hierbij stil te staan, daar wij nog steeds leven in een wereld vol geweld.”

Intussen heeft Holocaust-overlever Simon Benninga, na aansporing van de Permanente Commissie van het Nederland-Israëlitisch Kerkgenootschap te Amsterdam, in juli 1947 als enig overgebleven bestuurslid van de Joodse Gemeente Winsum wat daar van resteert overgedragen aan de Joodse Gemeente van Groningen. Simons zoon Noach was anderhalf jaar eerder, op 13 januari 1946, met zijn gezin aan boord van ‘De Johan van Oldebarnevelt’ vanuit Java veilig teruggekeerd in de haven van IJmuiden. Hij is met zijn gezin ingetrokken in het huis bij vader Simon in Eenrum en zij blijven daar tot na de geboorte van hun zoon Simon Zadok, in april 1947. Begin 1948 verhuist de familie naar Arnhem, waar Noach werk had gevonden. Daarna woont het gezin nog enkele jaren in Emmen en in 1954 vertrekken ze naar Amerika, waar Noach en zijn vrouw meer mogelijkheden zien om hun kinderen een joods religieuze opvoeding te geven. Kort na de geboorte van Noachs kleinzoon Noach Reuven Benninga in 1978 besluit grootvader Noach zijn herinneringen op papier te zetten. In onderstaand fragment daaruit valt duidelijk te lezen dat het met de betrouwbaarheid van zijn niet-Joodse Eenrumer buren in ieder geval dik in orde was:
Lees meer...

"Het huis van pa en de wichters, mijn tantes, in Eenrum, was natuurlijk in de oorlog leeggeroofd door de Duitsers. Van het verzet kreeg pa meubilair van NSB-ers. En hier bleven we wonen tot ik een betrekking in Arnhem vond. Aan de overkant woonde de familie Snitjer, oude vrienden van pa. Ik kende ze niet zo goed. Hij had al het tafelzilver voor ons bewaard, in de grond. Op een avond brachten hij en zijn vrouw het terug. Het ging om ver over de honderd stuks. Hij wist dat er van alles twaalf stuks waren, maar hoe hij ook had gezocht, van de fruitmesjes waren er maar elf. En dat, terwijl hij wist, dat er twaalf waren geweest. En toen haalde Lena triomfantelijk het twaalfde mesje te voorschijn. Toen we zes jaar geleden uit Haarlem vluchtten, had ze dat ene mesje meegenomen om een stukje fruit voor onze baby te schillen. Over eerlijke mensen gesproken."

Noach Benninga en zijn vrouw Helena gaan bouwen aan een nieuwe toekomst met meer kansen voor hun Joodse kinderen in Amerika. Zij zijn niet de enigen, hoewel het merendeel van de Nederlandse Holocaust-overlevenden na de stichting van de Staat Israël in 1948 zich bij voorkeur daar wil vestigen. De minderheid die na de uiterst kille ontvangst na de oorlog toch liever in Nederland wil blijven, richt zich met veel pijn en moeite op herstel van het Joodse leven hier.

Eigentijdse geschiedenis
Hoe vergaat het de Nederlandse samenleving na de jaren van wederopbouw en herstel?
Jongeren die na de oorlog geboren zijn, begrijpen maar weinig van wat er rondom de oorlogsjaren is gebeurd. Hun ouders zijn druk met de wederopbouw en voor herinneringen is er weinig tijd en aandacht. Ook dienen zich nieuwe zorgen aan voor de toekomst waarvoor veel ouderen minder oog hebben. Bijvoorbeeld op het gebied van atoomenergie, wapenwetloop, uitputting van de aarde en de kloof tussen arm en rijk. Een symbool dat deze fase uit de geschiedenis symboliseert is het ban-de-bom-teken, dat in 1957 is ontworpen voor een 'anti-atoombom'-demonstratie in Londen. Net als elders in de wereld ontstaat er ook in Nederland steeds meer verzet onder de jongeren en dat brengt een nieuwe jeugdcultuur met zich mee. In Amsterdam komt in de jaren zestig een beweging als provo op. De naam van die beweging verwijst naar het provocerende karakter richting gezag van ouders en overheid. Provo’s willen vooral laten zien wat er mis is in de maatschappij. Kort daarna krijgt de jongerenbeweging een ander karakter. Dan dient zich de tijd aan van hippies en flowerpower, een beweging die de bekrompen geesten probeert te openen en afkerig is van alles wat met oorlog te maken heeft: Make love, not war, is het devies.
Lees meer...

De verhoudingen tussen de jongeren en hun ouders komen onder druk te staan en er wordt afgerekend met standsverschil en oude gewoontes, die alles willen houden zoals het is. Hoewel ook daarin sommigen te ver gaan, vormt die beweging wel degelijk een voorbode van grote maatschappelijke veranderingen. Veranderingen die naast nieuwe mogelijkheden en welvaart ook veel onzekerheid onder de mensen brengt. Als reactie daarop ontstaat er ook weer meer behoefte aan overzicht op wat er eigenlijk allemaal verandert in die korte tijd. Al in de jaren zeventig stelt de Universiteit van Groningen een vakgroep Eigentijdse Geschiedenis in, waarin met nieuwe onderzoeksmethoden de naoorlogse ontwikkelingen van een wetenschappelijk kader worden voorzien. Met name in de tachtiger jaren worden op veel plaatsten (amateur)historische verenigingen of streekhistorische toonkamers en musea in het leven geroepen. Zo ook in de provincie Groningen en in de dorpen in het Hogeland. Ook krijgen veel mensen nieuwe belangstelling voor hun eigen familiegeschiedenis. Het zogenaamde genealogisch onderzoek neemt een grote vlucht.

Regiocanon van Groningen, onderdeel van Entoen.nu, Canon van Nederland (screenshot 2019).

Canon Joods Nederland van 1295 t/m de komst van het Joods Cultureel Kwartier in 2012 (screenshot 2019).

Ook in Joodse kring speurt men in de eigen geschiedenis. Het verlies van zoveel naasten is nog lang niet verwerkt, maar het terugvinden van iets dat verwijst naar hun bestaan helpt soms wel en een enkeling vindt langs die weg toch verre verwanten terug. Terwijl het einde van 20e eeuw in zicht komt probeert men zo de gaten in de geschiedenis dicht te weven en nieuwe moed te verzamelen voor volgende generaties. Rondom de millenniumwisseling ontstaan er ook tal van canons die een deel van onze geschiedenis voor ons proberen te ordenen, zoals de Canon van Nederland, de Canon van Groningen en bijvoorbeeld ook de Canon van Kinderarbeid. Die laatste canon plaatst honderdvijftig jaar van onze eigen westerse geschiedenis naast actueel misbruik van kinderarbeid in Derde Wereldlanden. Zo wordt getracht lering te trekken uit geschiedenis, een geluid dat in die tijd steeds vaker wordt gehoord. Vooral ook tijdens de jaarlijkse Nationale Dodenherdenking op 4 mei en met de viering van de vrijheid vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog op 5 mei 1995.

Gaandeweg komt er ook steeds meer aandacht voor het nog resterende Joodse erfgoed, dat nog op veel plaatsen in ons land aanwezig is. Dat erfgoed vormt als het ware een brug, een spoor terug naar vooroorlogse Joodse aanwezigheid. Zo wordt ook zichtbaar dat Joden tot de oorlog een leven hebben geleid dat nauwelijks afwijkt van het leven van alle niet-Joodse Nederlanders. Zo verschillen de fotoalbums van onze groot- en overgrootouders amper van die van de Joodse Nederlanders uit die tijd, zoals familie-uitstapjes naar zee, kamperen in Drenthe, een roeiboot huren of zeilen op het Zuidlaardermeer, een trouwerij, een voetbalwedstrijd, een uitvoering van de toneelvereniging en ga zo maar door.

In 2015 leggen ook Joodse Nederlanders hun eigen geschiedenis vast in een Canon van 700 jaar Joods Nederland met een kleine honderd vensters, waarvan 18 in de periode van 1946 tot 2012. Het jaartal 1946 markeert de oprichting van Joods Maatschappelijk Werk (JMW) en het jaartal 2012 markeert de vorming van Joods Cultureel Kwartier in Amsterdam. Dit bestaat uit het Joods Historisch Museum, het JHM-kindermuseum, de Portugese Synagoge en de Hollandsche Schouwburg. Daarover meer in paragraaf 3. Ten aanzien van de Joodse Canon hier nog een enkel accent op een voor iedereen herkenbaar signaal dat het zo pijnlijke en moeizame herstel van de naoorlogse Joodse gemeenschap representeert: het venster op 1979: Jom Ha Voetbal (vert.: ‘Dag van het Voetbal’) en een commentaar op dit fenomeen van Frits Barend. Op zich vormt die presentatie van de Joodse Canon in 2015 een feit dat op zich misschien wel een extra venster in de 21e eeuw van hun eigen canon verdient en misschien niet alleen van hun eigen canon. Onze landelijke canon waagt zich nog niet aan de periode vanaf de tweede helft van de 20e eeuw, maar een venster op het moeizame herstel van het naoorlogs Jodendom in ons land zal daarin te zijner tijd zeker op zijn plaats zijn. De regionale canon van de provincie Groningen omvat de periode van 3500 vóór tot 2005 ná het begin van de algemene jaartelling. Hierin zit wel een venster op de deportatie van de Groninger Joden in 1942, maar een venster op de vroege vestiging van Joden in de provincie vóór de komst van het landelijk Emancipatie decreet van 1796 ontbreekt. Om de geschiedenis van de Groninger Joden echt recht te doen zou het overigens ook niet misstaan om bijvoorbeeld een venster op te nemen op de her-ingebruikname van de Groningse synagoge in de Folkingestraat in 1981.

Synagoge Groningen,  Folkinge-straat (nabij Gedempt Zuiderdiep).

meer over item 1993: klik hier

.X.   .X.   .X.   .X.   .X.   .X.   .X.   .X.   .X.   .X.   .X.   .X.   .X.